2002 - 'Oplegnotitie' bij de conceptreactie LMR op het landschapsbeleidsplan
Leidse MilieuRaad
Postbus 159
2300 AD LEIDEN
telefoon 071–5167556
‘Oplegnotitie’ bij de conceptreactie van de Leidse MilieuRaad op het Landschapsbeleidsplan
Leiden, 14 februari 2002
Het Landschapsbeleidsplan Leidse Regio (Oplegnotitie en Samenvatting) is in de LMR besproken. Hieronder zijn de bevindingen van de LMR weergegeven. In een eerdere fase heeft de LMR zich al eens gebogen over het concept-Landschapsbeleidsplan van Bureau Vista. De toenmalige concept-reactie heeft als basis gediend voor de huidige reactie op de Oplegnotitie en is als bijlage hierbij gevoegd. De huidige reactie moet in combinatie daarmee worden gelezen. In het onderstaande gaan we vooral in op de wijzigingen ten opzichte van het concept-Landschapsbeleidsplan.
De LMR heeft waardering voor de poging om tot een samenhangend plan te komen voor het landschap in de Leidse regio. Het plan is fraai vormgegeven. Bij de inhoud heeft de LMR wel enkele kantekeningen. Het voornaamste punt betreft de algemene termen waarin het plan is opgesteld. Er worden weinig concrete uitspraken gedaan en ook in de Oplegnotitie vindt nauwelijks nadere invulling plaats. Het is de vraag op welke manier dit plan invloed kan hebben op daadwerkelijke ontwikkelingen in de regio.
Het concept van parels en lijsten is door het Breed Overleg overgenomen. De benoemde ‘parels’ maken echter al langer deel uit van te beschermen gebieden in allerlei ruimtelijke plannen. Opvallend is het geheel ontbreken van de Leidse historische binnenstad en de historische dorpskernen als te beschermen ‘parels’.
De Oplegnotitie spreekt van een nadere uitwerking van de functies binnen de parels en gaat daarmee een stap terug ten opzichte van het oorspronkelijke conceptplan. Positief hierbij is dat invulling hiervan samen met belanghebbenden zal plaatsvinden.
Het is de LMR niet geheel duidelijk hoe ‘lijsten’ ervoor kunnen zorgen dat het behoud van parels vanzelfsprekend wordt. De LMR vreest dat de lijsten al snel nieuwe haarden van verstedelijking zullen blijken te worden. Dit aspect verdient de nodige aandacht bij de verdere projectmatige uitwerking die de Oplegnotitie voor een groot aantal lijsten voorstelt.
Positief element in de Oplegnotitie is dat er nadruk wordt gelegd op de noodzaak van overeenstemming met huidige eigenaren, grondgebruikers en andere belanghebbenden en de essentiële voorwaarden daarvoor: flexibele ruimtelijkeordeningsplannen en financiële middelen. Meer dan in het concept-landschapsbeleidsplan dringt het besef door dat dit laatste meer moet inhouden dan alleen een Groenfonds. Zo is er onder het kopje ‘natuur en ecologie’, behalve van groene diensten, ook sprake van blauwe diensten die agrarische ondernemers zouden kunnen aanbieden. Bij de toeristische en recreatieve potenties ontbreekt dit aspect helaas weer en ook in de geformuleerde projecten komt dit helaas niet tot uitdrukking. De LMR zou gaarne het algemene project ‘ontwikkeling Regionaal Groenfonds’ uitgebreid willen zien met deze aspecten; daarbij moet het naast financiering van ‘projecten’ ook nadrukkelijk gaan om ‘diensten’, zowel op het gebied van natuur en landschap als op het gebied van water(berging) en recreatie.
De terughoudendheid in de Oplegnotitie ten aanzien van de waterproblematiek onderschrijft de LMR van harte. Op korte termijn zal duidelijkheid moeten komen over de omvang van de wateropgave en de mogelijke oplossingsrichtingen, dit laatste in overleg met de agrarische sector. Het project ‘toekomst waterbeheer’ dient dan ook met grote voortvarendheid te worden opgepakt.
Wat betreft de ‘natuur en ecologie’ suggereert de LMR een project toe te voegen, namelijk een project waarin de huidige natuurwaarden, de potenties en de bedreigingen goed in beeld worden gebracht, alsmede de rol van ecologische verbindingen hierbij. De aspecten geluid en kunstlicht en projecten als knooppunt A4 en verbinding A4-A44 zouden hierin meegenomen moeten worden.
Ook ten aanzien van recreatie en toerisme mist de LMR het een en ander in de Oplegnotitie. Aandacht voor de broodnodige recreatieve ontsluiting van het landelijke gebied rond Leiden ontbreekt geheel. Deze ontsluiting is van groot belang en een voorwaarde voor succes van de ‘recreatietransferia’. In een project ‘recreatieve ontsluiting landelijk gebied’ zouden de mogelijkheden voor fijnmazige ontsluiting ten behoeve van wandelen en fietsen, roeien en kanoën en wellicht ook sportvissen moeten worden verkend. Dit in samenhang met de met die activiteiten gerelateerde mogelijkheden voor neveninkomsten voor (en de beperkingen voor de bedrijfsvoering van) de agrarische sector.
Onder het kopje ‘rood en groen’ wordt gesteld dat intensief ruimtegebruik in bestaand stedelijk gebied van groot belang is voor het handhaven en verbeteren van de kwaliteit van het landelijke gebied. De LMR kan dit onderschrijven, maar wil tegelijkertijd pleiten voor het handhaven van voldoende openbaar groen binnen de stedelijke omgeving. Van belang is dat er zicht komt op minimale eisen ten aanzien van de nodige hoeveelheden openbaar groen op straat, buurt, wijk en stadsniveau en dat de mogelijkheden voor verdere verdichting binnen deze minimum normen in het hele plangebied in kaart worden gebracht.
De LMR onderschrijft ook de optie bouwlocatie vliegveld Valkenburg als minst slechte oplossing indien een grote bouwlocatie onvermijdelijk blijkt. Strikte voorwaarde daarvoor is wel dat er voldoende openbaar vervoersstructuren zijn voordat de bewoning plaatsvindt: daarbij gaat het vooral om de westelijke helft van de Rijn-Gouwe lijn. De noodzaak van een snelwegverbinding tussen A4 en A44 staat daarbij volgens de LMR niet op voorhand vast.
Op grond van het bovenstaande vraagt de LMR om in het verdere besluitvormingsproces terdege aandacht te besteden aan de verdere concretisering van het Landschapsbeleidplan. Daarbij kunnen de voorgestelde projecten uiteraard een belangrijke rol spelen, maar een prioritering daarbij is van groot belang. Hoge prioriteit zou de LMR willen leggen bij de hierboven voorgestelde projecten ‘groen-blauwe financieringsstructuren’, ‘recreatieve ontsluiting landelijk gebied’ en ‘ecologie’, alsmede bij het project ‘toekomst waterbeheer’. De in de Oplegnotitie voorgestelde projecten ‘noord-oostelijke overgang’ (c) en ‘landgoederen verbonden’ (h) kunnen worden samengevoegd. Lage prioriteit hebben vooralsnog de recreatietransferia. Het belang van een project ‘overgang veenweidegebied en droogmakerijen’ is de Leidse Milieu Raad niet geheel duidelijk.
De Leidse Milieu Raad hoopt dat de genoemde projecten in samenwerking met eigenaars en gebruikers zullen worden uitgevoerd, zodat op basis daarvan het Landschapsbeleidsplan kan worden geconcretiseerd met duidelijke en harde keuzen. Dit is ons inziens een voorwaarde om het plan invloed te laten hebben op daadwerkelijke ontwikkelingen in de regio.
Namens de LMR,
Joke Kolthoff, voorzitter Leidse MilieuRaad
